Ik zou je graag willen uitnodigen voor het avondeten

Hannibal kijken levert je onder andere een breed scala aan culinaire grappen op die neigen naar kannibalisme. Dat maakte het lezen van Herman Kochs ‘Het Diner’ een ervaring met een extra laag.

Van dit in vele talen vertaalde boek kennen veel mensen waarschijnlijk het verhaal al: het prijkt op vele leeslijsten van enthousiaste en minder enthousiaste vwo’ers maar wordt ook door oudere generaties verslonden. Hoe dan ook gaat het, voor degene die nog onder een bord lag, over Paul Lohman en diens broer Serge Lohman- de alvast gedoodverfde nieuwe minister-president van Nederland-, die samen met hun vrouwen Babette en Claire uit eten gaan in zo’n restaurant waar de helft van je bord leeg blijft en je bedragen van over de honderd euro per persoon neertelt. Ze zijn daar niet voor een gezellig avondje uit, maar om een ernstig gesprek te voeren over hun zoons, die betrokken zijn bij een misdrijf tegen een dakloze. Hoe verder het verhaal vordert, hoe meer je je gaat realiseren dat er meer mis is met deze vier mensen dan zo na de eerste hap leek.

Dat dit een literair boek is dat graag gelezen wordt en vele leeslijsten siert is begrijpelijk: het verhaal leest ondanks de vele details vlot, het taalgebruik is haast kinderlijk simpel en er wordt genoeg spanning opgebouwd om interessant te blijven. Het kostte me dan ook maar twee dagen om hier doorheen te gaan. Waanzinnig enthousiast ben ik er verder niet over: de soep is net niet heet genoeg, de smaak een beetje vlak.

Het is lastig uit te leggen wat het boek precies minder maakt zonder te vervallen in spoilers (die het leesplezier flink zouden kunnen vergallen voor wie het niet -zoals ik wel vond- een klein beetje voorspelbaar vindt), want dit zit hem namelijk vooral in de ongelofwaardigheid van het verhaal. Ik gebruik bewust ongeloofwaardigheid in plaats van een woord als ‘onrealistisch’ omdat dit één van de belangrijkste schrijflessen is die ik van Stephen King geleerd heb: een boek mag onrealistisch zijn zolang het maar geloofwaardig is. Dit verhaal op zichzelf is vrij realistisch, maar zo voelt het niet omdat de geloofwaardigheid ontbreekt, en dat komt door verschillende dingen.

Ten eerste is er die schrijfstijl. die misschien vlot leest maar vaak slordig overkomt: dan zegt de schrijver ‘het is niet nodig te vermelden dat…’ om het toch te vermelen, of ‘ik zal de lichamelijke verschijnselen hierbij wel niet hoeven uit te leggen; het kloppende hart, het… etc’, waar bij komt dat de schrijver opzettelijk vaag blijft over details als tijden en namen, wat vooral overkomt alsof hij geen zin had hierover na te denken.

Deze vaagheid is het tweede punt: het komt zeer geforceerd over maar zorgt er ook voor dat de schrijver elke wetenschappelijk onderbouwing voor onder andere de ziektes en syndromen die hij omschreef kon ontwijken, waardoor deze uit de lucht gegrepen leken. Dit maakte dat het verhaal niet tot leven kwam, omdat je toch iets bleef houden van: allemaal leuk en aardig, maar dit is overduidelijk fictie. Het maakt je niet plotseling bang voor je medemensen omdat er geen bewijs of naam komt voor dat wat hen levensgevaarlijk zou kunnen maken.

Tot slot waren er meerdere slordigheden zoals het feit dat de hoofdpersoon met een vergrootglas plotseling wél iets kon zien op een computerscherm: ik ben weinig technisch maar heeft iemand weleens van pixels gehoord? En konden een aantal flashbacks op z’n minst een stuk minder uitgebreid verteld worden om de boodschap ook over te brengen- als ze al niet helemaal weggelaten konden worden.

Het enige wat ik echt meesterlijk aan dit boek vindt, is hoe Koch meedogenloos met zijn personages speelt: hij schuift ze als pionnen over het speelveld, laat je symphatie voelen voor de verkeerde en draait de rollen 180 graden om. Hij kiest niet voor de gemakkelijke uitweg van een symphatieke maar droge ik-verteller of voor het softe einde, maar deelt tot op het laatst klappen uit en doet je ten volle beseffen hoe onbetrouwbaar ik-figuren in boeken zijn.

Al met al is dit zeker geen verkeerde maaltijd, maar wel eentje die je waarschijnlijk vrij vlot zult vergeten aangezien de smaken niet bijzonder heftig aanwezig zijn, de peper minder heet blijkt dan je vermoedde en het zeker niet brandt in je mond. Eet smakelijk.

Advertentie

Niet zo cheesy

Men gaat niet meer naar de Hema voor de prijs want daarvoor is de Action en men gaat niet naar de Hema voor kwaliteit want daar staat de Hema nog altijd niet om bekend. De Hema lijdt zoals zoveel winkels aan de opkomst van het internet en houdt het hoofd slechts met moeite boven water terwijl de winkelpanden eromheen één voor één leeg komen te staan.

Toch bevonden we ons in de Hema. E. met rode ogen van slaaptekort, M. met een laagvallend shirt, haar benen wel kuis over elkaar geslagen, hoge hakken waar ze in de gladheid slecht op kan lopen, J. met de constante glimlach van iemand die meer weet dan de rest. Hemarestaurant: kil licht, altijd rumoerig, niet de meest comfortabele stoelen en thee van 1.75. Dus waarom bevinden we ons daar op deze enige dag voor we allemaal terugkeren naar het gewone leven? Het antwoord is simpeler dan hoe Karel V zijn rijk in handen kreeg. Hoe Karel V zijn rijk in handen kreeg is dan ook een bijzonder ingewikkeld verhaal waarbij een boel afgetrouwd en kindjes gemaakt wordt tussen mensen die vagelijk verbonden zijn.

Kaasbroodjes.

(Dat is dus niet hoe Karel V zijn rijk in handen kreeg maar waarom we ons bij de Hema bevonden.)

De kaasbroodjes van de Hema zijn puur goud. Ze zijn met een beetje geluk nog warm en knapperig en wekken zo de suggestie vers te zijn. Maar ze bestaan vooral voor een bijzonder groot deel uit kaas. Gesmolten, zachte, vettige, kazige, naar kaasmakende kaas. Geen plastic kaas met een kaassmaakje eroverheen gespoten zoals je ’t krijgt bij de Mac, niet met zo weinig kaas dat je diep in het bladerdeeg moet zoeken voordat je het gevonden zoals bij de meeste kaasbroodjes die je in de supermarkt koopt.

En dus wrijft E. de slaap uit haar ogen, neemt een hap van haar champignonsoep en snijdt een stuk van haar broodje af. Neem ik een slok van mijn ijskoffie en volg dan haar voorbeeld. Morgen begint het leven weer. Dan doen we weer alsof we iets geven om vettigheid en calorieën, kauwen braaf ons brood met sla weg en drinken water. Vandaag negeren we het rumoer en de kille felle lichten en dompelen we ons onder in kaasfondu verstopt tussen bladerdeeg.

 

 

 

Features of interest

Voor de mensen die de vorige drie seizoenen van Sherlock niet hebben: stop met lezen, verdwijn van internet EN GA DIE NEGEN EERDERE AFLEVERINGEN KIJKEN.

Goed.

Nu we onder Sherlokians zijn:

The Abominable Bride.

De special die we kregen om het lijden van het lange wachten op een nieuw seizoen een beetje te verzachten- of juist om wat zout in de wonden te strooien door ons eraan te herinneren hoe goed Sherlock nu ook alweer precies is. En hoe *niet zo’n netjes woord* lang we moeten wachten op dat nieuwe seizoen.

In deze Oud & Nieuw-aflevering vinden we onze favoriete detective terug in een heel ander Londen dan we gewend zijn: men draagt hier hoeden en rijdt in rijtuigen. Het is het Londen waarin Sherlock zich thuis zou moeten voelen, want hierin werd hij uit Sir Arthur Conan Doyles pen geschud. Doyle zadelde Sherlock ook op met het mysterie van de afschuwelijke bruid dat in deze aflevering ontrafeld moest worden, hoewel hij er niet meer dan een halve zin aan besteedde. Steven Moffat en Mark Gatiss hadden hier echter genoeg aan om Sherlock in een gothicachtige horrorverhaal te sleuren met een lijkbleke vrouw met bloedrode lippen in een bruidsjurk als antagonist.

Tot zeg maar de helft van de aflevering. Iedereen die zoals ik verdwaald raakt in de Victoriaanse wereld en de grappige dialogen tussen Sherlock en Watson die zich in rap tempo afwisselen, ziet de plottwist niet aankomen. Wie beter oplet (of een tweede keer gaat kijken) kan zichzelf voor het hoofd slaan om al die subtiele maar eigenlijk toch wel duidelijke hints dat deze mysterieuze uit de dood opgestane vrouw niet het enige is wat er mis is met dit Victoriaanse Londen.

De rest van de aflevering begint associaties op te roepen met Inception. De mysteries die Sherlock moet deduceren worden plotseling een stuk groter en persoonlijker en maken het plotseling nog een stuk erger dan we *nog minder net woord * lang moeten wachten op dat seizoen. Je zou bijna gaan hopen dat ze geen kwaliteit boven kwantiteit verkozen.

Goed.

Ik hoef niet meer te zeggen dat alle acteurs geweldig zijn. Of dat de aflevering slim in elkaar zit met goeie montage en een ontknoping die je met wijd open ogen achterlaat: van Sherlock zijn we inmiddels niet anders meer gewend. En ook de special slaagt er bovendien goed in om iedereen die begon te denken dat Sherlock een serieuze serie is van het tegendeel te overtuigen (potatoes, iemand?), maar er toch nog een paar hartverwarmende één-op-éénmomentjes tussen Watson en Sherlock in te gooien. (Die Sherlock dan wel weer afsluit met verzuchtingen als ‘Dear lord, I have never been so impatient to be attacked by a murderous ghost.’ Wat natuurlijk verder ook de enige juiste comeback is wanneer iemand informeert naar je liefdesleven. En wat dan nog, we hebben het over Sherlock.)

Voor de mensen die inmiddels denken dat ik een hopeloze sherlockfan ben die toch geen kritiekpuntjes zou kunnen vinden: dat dat huis eenmaal als in een soort psychedelische drugstrip rondjes begon te draaien vond ik al een tikje overdreven, tweemaal is helemaal iets te veel van het trippy gedoe. Verder ben ik inderdaad een hopeloze Sherlockfan. Het enige wat ik nog te zeggen heb is: yes. I missed you.

God is dood

Niet alleen Nietzsche verklaarde dit, Ira Levin eindigde er zijn bekende horrorboek ‘Rosemary’s Baby’ mee. Een boek waarvan de film waarschijnlijk bekender is geworden. Ik heb deze echter niet gezien, helaas.

Veel mensen zullen het verhaal van het boek wel kennen, maar voor zij die dit niet doen de korte samenvatting zonder spoilers: Guy en Rosemary verhuizen naar een nieuw appartement ondanks de waarschuwingen van een vriend over de gruwelijke gebeurtenissen die hier eerder hebben plaatsgevonden. Hun nieuwe buren, Roman en Minnie, zijn bijzonder vriendelijk. Misschien iets té.

Dit boek werd gepubliceerd in de jaren zestig en is zodoende in veel opzichten vrij gedateerd. Homo’s die beschreven werden als ‘normal abnormal’ waren daarvan het mooiste voorbeeld. Misschien dat dit boek, dat dealt met issues als secularisering en de paus, in die tijd nog interessant of schokkend was om te lezen- misschien dat het toen spannender was omdat er minder afschuwelijke boeken gepubliceerd werden en men niet kon genieten van CSI afleveringen met monsterlijkere mensen dan personages uit de eerste de beste horrorfilm bij wijze van ontspanning, maar inmiddels is het 2016 en is het laatste seizoen van Hannibal uitgezonden en kan ik niet anders zeggen dan dat dit boek ronduit saai was.

Ten eerste waren de personages kleurloos: zowel de good guys als de bad guys. Ik kon me er niet toe zetten om ook maar iets te geven om Rosemary of wat er met haar gebeurt, Guy was een klootzak en ik hoopte dat hij met een gruwelijke dood zou eindigen, de buren waren nauwelijks uitgewerkt, de enige weldenkende persoon werd natuurlijk het verhaal uitgewerkt om de geloofwaardigheid ervan te kunnen bewaren: zonder hem/haar zou het boek zo’n honderd pagina’s korter kunnen zijn.

Ten tweede was het verhaal niet alleen ongelofelijk ongeloofwaardig en grotendeels gestoeld op toevalligheden en het niet nadenken van de personages, maar ook nog eens ontzettend voorspelbaar. Die kast zou niet benoemd zijn als er later niet een lijk/homo/geheime doorgang in zou blijken te zitten. Het einde werd een teleurstellende bevestiging van wat ik op pagina vijf al vermoedde, geheel zonder nieuwe ingrediënten die het nog een verrassende smaak hadden kunnen geven.

Maar ten derde en tot slot en ook mijn grootste probleem met dit boek, waren de vlakke, slecht geschreven, onrealistische dialogen. Dialogen laten een verhaal leven op op jonge leeftijd sterven, afhankelijk van hun kwaliteit en de dialogen van Ira Levin waren geforceerd of doelloos of juist te doelbewust. Soms leken ze enkel te dienen ter opvulling van pagina’s, maar minstens zo frustrerend was het als ze overduidelijk afstevenden op een bepaald punt dat duidelijk gemaakt moest worden. Dit maakte dat het verhaal voor mij niet van de pagina’s afkwam en ik geen enkele keer naar het puntje van mijn stoel schoof. Ik stopte meer chocola in mijn mond, nam een slok thee, gaapte, rekte me eens uit en las verder.

Positief aan dit boek is dat het lekker wegleest. Het is niet moeilijk (ook niet in het Engels) en dankzij de vele slechte dialogen blijft er weinig ruimte over voor tergend langzame personages waar je je doorheen moet ploegen. Een schrale troost bij een teleurstelling.

Ik stel voor dat we naast God ook dit boek dood verklaren.